persbericht en afbeeldingen expositie

laatste bouwfase

Lezing door een wandelende christen
Ferdinand van Dieten
Joseph Semah
Spiegelbeeld van de hebreeuwse, latijnse, arabische alfabetten geschilderd op het bovenste huis van "The doubling of the House"
Geachte aanwezigen,

Ik dank u allen hartelijk voor uw komst. Uw komst betekent dat u zich verbonden voelt met of wat waarschijnlijker is de confrontatie aan wilt gaan met de hetgeen Joseph aanwezig stelt. Ik noem de laatste houding het waarschijnlijkst omdat de aanwezigheid van Joseph een ongemakkelijke is. Achter in het boek PaRDeS kunt u lezen wat Joseph onder het gast zijn verstaat, en hij gedraagt zich naar wat hij schrijft.
Ik ga dus niet uitleggen wat de Gast is, maar toelichten hoe ik het belang van het werk van Joseph Semah zie en wat mijn motief tot gastheerschap is.

“Het is immers alleen tussen het hout en de kleding dat we pas echt de gaten, de nagels, de angst en de wond kunnen isoleren van de schrijver in ons.” (RTF p.49) Als ik mij afvraag waarom ik met zo’n houten box op mijn kop moet optreden – en ik verzeker u dat is niet alleen fysiek ongemakkelijk, wat niet van belang is; het voelt vooral heel stom aan – dan pak ik Read Full Text en vind daar het zojuist gegeven citaat.
Joseph gedraagt zich naar wat hij schrijft.

Waar schrijft Joseph over: ten eerste over een berg van feiten uit de joodse traditie en over het Hebreeuws, dat een uiterst cryptisch taaltje blijkt te zijn, waarbij je er voortdurend alert op moet zijn dat iedere lettercombinatie in een andere context ook nog iets anders kan betekenen. Deze feitenberg en de taal waarop zij gebaseerd is, is voor weinig mensen hanteerbaar in het dagelijks leven hier in christelijk Europa; en buiten Europa is zij al helemaal niet hanteerbaar, want het is wezenlijk een verhaal over Europa. Deze feitenberg ga ik niet uitleggen, Joseph zelf doet dat onvermoeibaar aan ieder die het horen wil.

Ten tweede schrijft Joseph over kunstenaars. Kunst definieert hij als manifestatie van het misverstand tussen Jodendom en christendom. Met deze kant van zijn teksten kunnen wij al meer, want in dit misverstand zijn wij zelf betrokken.
Wie is wij? Ik wil daar duidelijk over zijn: wij zijn de seculiere christenen.

Maar voorzichtig want het misverstand wordt door Joseph niet vanuit ons christelijk perspectief beschreven. Hij schrijft – maar dan spreek ik bijna over wat er staat in het wit tussen de regels in – over zijn eigen kunstenaarschap. Dan hebben we het over het uithouden van de ‘Balllingschap’ GaLLuT, en het ritueel daarvan met TaLLiT en het bewaren van de maat KaV van de afstand. Ook over wat die vreemde woorden inhouden ga ik niet spreken, want dan verdrinken wij weer in de zee van feiten, en wij willen een pad door deze zee heen.

In Josephs analyses van kunstenaars zijn de relaties tussen het Jodendom in ballingschap (ook genoemd de wandelende jood, de geseculariseerde jood) en de moderne seculiere christenen te traceren. Ik zeg het expres zo globaal, en kom hierop terug. Arie Hartog formuleerde in Read Full Text al heel duidelijk de verhouding van Joseph t.o.v. de kunstgeschiedenis als ten eerste een ondermijning van de zelfgenoegzaamheid, van de gepretendeerde alomvattendheid ervan, en ten tweede een ontregeling van het gepretendeerde begrip van wat beeld en abstractie is, en ten derde een herintroductie van de ander in die geschiedenis. Maar uiteindelijk gaat het Joseph niet zozeer om de kunstgeschiedenis, dat is slechts één van de strijdtonelen in het dispuut. We willen dieper op zoek gaan naar de relatie van de wandelende jood en de seculiere christen. Laten we daartoe opnieuw kijken naar de kunstenaarslevens, zoals door Joseph beschreven.
Over El Lissitsky concludeert hij: “Waar de initiator van het suprematisme (Malevitsj, fvd) in de schilderkunstige verbeelding van de leegte de volheid van het Goddelijke Niets (Ein-Sof) dacht te hebben gerepresenteerd, stelde El Lissitzky zich nederiger op. In het besef dat de mens nooit één kan worden met God, heeft hij met de zwevende architectuur van Proun ons slechts een glimp van het ‘Jeruzalem van omhoog’ / ‘het sublieme Jeruzalem’ willen laten opvangen.” (RFT p.27)
Ik vertaal dit als: Het seculiere christendom vervalt steeds in negatieve theologie
O.a. daarom zal de seculiere christen zich steeds weer moeten oriënteren op het besef van het onderscheid van het heilige en het niet-heilige van de al zo lang in de wereld wandelende jood. Deze vertaling leunt op de analyse van Emil L. Fackenheim van de worsteling van G.W.F. Hegel om het jodendom te begrijpen. Het gaat daarbij om het mislukken van de universaliteitspretentie van het christendom.
De mensheid heeft een lange weg afgelegd om te leren begrijpen dat de wereld niet eenvoudig een contingent mechanisme is van blinde of fatale krachten, maar dat er ook samenhang is, die zich doorzet door de continue stroom van effecten heen. Kunnen wij ons dan ook tot die samenhang zinvol verhouden en de wereld als onze wereld leven? Het is de enorme verdienste van Hegel dit vraagstuk: wat de basis is van ieder zelfbegrip van de mens, geformuleerd te hebben.
Deze prestatie van Hegel is zelf weer gebaseerd op het feit dat het christendom een wereld heeft gecreëerd waarin alle voorafgaande vormen van geestelijk zijn naar hun waarheid doorontwikkeld zijn en gerealiseerd. Het christendom is het tot begrip van zichzelf gekomen Godsbegrip, dus van de totale innerlijke samenhang van de wereld, inclusief het zelfbegrip van de mens in deze wereld.
Klein probleempje hierbij is alleen dat de ontwikkeling van dat christendom iets minder volmaakt en geslaagd is. De interne symptomen hiervan, zoals die zich na Hegel enorm aan ons hebben opgedrongen, zijn niet toevallig af te lezen aan twee zaken waarover Jaweh altijd zeer waakzaam was tegenover zijn volk. Ten eerste heeft Hij een afkeer van idolatrie: het vereren van aardse substituten in plaats van Hem. In moderne termen: het verabsoluteren van de eindigheid en aan de natuur gebonden aspecten van menselijk leven. Ten tweede heeft Hij een afkeer van het aanbidden van Valse goden. In moderne termen: de frivoliteit: de mens die zich als een vrij, zelfontwerpend subject ziet. Voor de duidelijkheid: deze in het modernisme en postmodernisme zo manifest geworden vervalsvormen zijn niet aan Hegel te wijten. Hij fulmineerde er in zijn tijd al tegen.
Fackenheim zijn analyse richt zich op de misinterpretaties van het Jaweh-geloof en het ontbreken van de rabbinale traditie in de filosofie van Hegel. Een erkenning van feit dat ook het jodendom een bemiddelde verhouding heeft tot het absolute, maar dan juist in haar particulariteit, zou de eenheid, the Atonement, KiPURIM van god en mens ten minste uitgesteld hebben. In het christendom is die eenheid van mens en God in principe reeds gerealiseerd, maar moet door een actief zelfvertrouwen in de wereld gerealiseerd worden. Deze realisatie kan de vorm aannemen van Terreur, een reden waarom Spinoza al tegen alle revoluties was in zijn Tractatus Theologico-politicus.
Fackenheim zelf heeft gekozen voor een onmiddellijke terugkeer van het oude volk naar Jeruzalem, hij heeft de ballingschap niet uitgehouden.

Voor Joseph is de kunstenaar die bij uitstek het thematiseren van de spanning tussen Jerusalem van boven en Jeruzalem van beneden, tussen het sacrale en het profane tot inzet van zijn werk maakte: Barnett Newman . Ik citeer: “eigenlijk blijft hij ons eraan herinneren dat, zelfs tot op de dag van vandaag, in de GaLLuT te zijn een voordurende reorganisatie is van gebeurtenissen uit het verleden tot een (spiegel)beeld van een enkele (vreedzame) stem. (…) Bedenk dat het niet zijn (van de sofEr sEtA’m, de schriftgeleerde) taak was om eenvoudigweg een bestaande tekst te kopiëren, maar dat het zijn taak was om benedicties en gebeden samen te stellen.” (RFT, 42,43). Hiermee houdt hij een hoop levend op een droogvallende doorgang naar Jeruzalem.

Ik zei al, de seculiere christen zal zich met de jood in ballingschap moeten uiteenzetten, en zelfs, maar dat is wellicht niet mogelijk, zich ermee identificeren. (Overigens een niet–toevallige analogie met de constatering van Hegel dat iedere echte filosoof Spinozist geweest moet zijn.) Vervolgens zal de seculiere christen zich realiseren dat hij anders is, dat hij het onderscheid tussen heilig en niet-heilig niet wil verabsoluteren. Maar ja, niet-willen, is dat slechts een spoor dat de christelijke opvoeding in de ziel heeft gegrift of een terechte ambitie op basis van een juist zelfbegrip van de mens als lichamelijke geest.

En dan beginnen de onopgeloste vragen: Is het absolute voor ons stervelingen uiteindelijk niet in zijn volle zin te bevatten en kunnen wij onszelf dus alleen in een verhouding ertoe voorstellen, maar deze verhouding niet ten volle bij onszelf begrijpen? of anders gezegd : is het woord Gods een dodelijk wit vuur en lezen wij deze alleen voor zover de zwarte inkt dit afdekt in de Talmoed Bavly.
Of is deze stellingname, waarin Joseph zich verbonden weet met de vele postmoderne filosofen met joodse wortels, juist frivoliteit? Is het verabsoluteren van een vrije individuele subjectiviteit in het interpreteren van tekst – zoals we die bij Derrida aantreffen – niet een zelfoverschatting van de zichzelf denkende mens. U hoort, ik blijf u de verhandeling over de verhouding van voorstelling en idee nog even schuldig.

Nog een door Fackenheim aangesneden kwestie als slotoverweging: voor het Jodendom is de wet een uitverkiezing, een gift, en niet slecht de straf voor onze zondigheid, zoals de Griekse jood Paulus dacht. Voor het Jodendom geldt dat met de wet een hoop in stand wordt gehouden.
Bij de protestanten dreigt altijd, wegens het strafkarakter van de wet, wegens het niet uitverkoren zijn, dat zij, als zij van de vreze voor de Heer verlost worden, de orde en waarheid niet uithouden en vervallen tot een leven naar eigen goeddunken, naar een macht omwille van de macht. En zo denk ik nu bij tijd en wijle over Nederland. Voor mij, van katholieken huize is de hoop verbonden aan de zoektocht naar een universeel begrip van verlossing.